Driftbui
Na aantal uur zwemmen, glijden en spatteren in een subtropisch zwemparadijs probeer ik drie uitgelaten kinderen richting de douche te drijven. Petje af voor de schapenhond, want het lukt me maar amper om er onderweg niet één te verliezen.
Gelukkig blijken de douches lekker warm. Een verademing! En dus nemen alle drie de kinderen het er uitgebreid van. De jongste staat voor ik het weet in haar nakie en de oudste twee proberen te ontdekken hoeveel piratendouchegel je nodig hebt om écht goed schoon te worden. Hun conclusie? Een hele fles.
Terwijl mijn vriend en ik een ‘plan-van-aanpak’ maken voor de afdroog- en aankleedparade, zet de middelste de douche nog lekker een keer aan. En nog een keer. En nog eens.
Thuis werp ik meestal op ‘dat het warm water op is’ of ‘dat we niet te lang mogen douchen van Poetin’. Maar die regels blijken volgens de middelste niet te gelden wanneer we op een ander zijn.
Aangezien zich een behoorlijke rij begint te vormen én de fles piraten douchegel nu écht leeg is, besluiten we om te vertrekken. Daar is de middelste het niet mee eens. Er ontketent zich een driftbui van megaformaat waar het hele subtropische zwemparadijs van mee kan genieten. En terwijl de klanken nog lekker nagalmen in de stroomversnelling (“Stomme mama! Ik mag van jou nooit douchen!”), pakt mijn vriend de middelste onder de arm en neemt hem al tegenstribbelend mee naar de aankleedruimtes.
“Volgens mij is ie boos,” merkt de jongste op. Terwijl de middelste de hele boel bij elkaar schreeuwt. “Dat denk ik ook,” zeg ik terug, terwijl ik de middelste op elke mogelijke manier probeer te kalmeren. Vasthouden, chantage (‘je krijgt een ijsje als we hier weg zijn’) een flinke toon aanslaan (‘en NU is het genoeg!’): niks lijkt te helpen.
En terwijl de middelste zich een potje ongemakkelijk voelt en dat duidelijk laat merken, voel ik me ook steeds onaangenamer. Ik wil dat mijn kind luistert. Dat hij begrijpt dat we lekker gezwommen hebben, maar dat we nu naar huis gaan. Dat hij boos mag zijn, maar dat er ook grenzen zijn.
Maar het meest tob ik over mijn eigen gedachten. Ik wil namelijk vooral dat hij stil is voor een ander. Zodat de andere bezoekers geen last van hem/ons hebben. Zodat andere ouders niet denken: ‘Jeetje, die heeft haar kind ook niet onder controle zeg’. Zodat anderen niet horen dat ik geen idee heb hoe ik aan deze tirade een einde moet maken.
Kortom: ik maak me voorál druk om ‘wat de ander denkt’. Gek, want ik vind het altijd super geruststellend als ik andere ouders zie tobben en andere kinderen zie stieren/driften/huilen.
En op dat moment besluit ik me niet meer op de ander, maar op ons te focussen. Boeien wat de rest denkt. Ik ga dit op mijn manier oplossen. En de rest doet het maar op zijn/haar manier. De scène eindigt in een combinatie van ‘flink toespreken’ en toenadering zoeken, waardoor de middelste gekalmeerd het zwembad verlaat.
We hebben het gered.



