Laat ze los
“Mag ik 10(!) worstenbroodjes?” vraagt de middelste glunderend aan de bakker. “We gaan namelijk op vakantie!”. De bakker is direct enthousiast: “Zo hee! En wat ga je doen?” “We gaan 1 nacht naar België!” vertelt de middelste alsof hij aankondigt dat we 3 weken op ‘wild-life-adventure’ naar Afrika gaan. “Nou, dan zou ik inderdaad maar flink wat worstenbroodjes inslaan”, zegt de bakker met een lach op haar gezicht.
Onze mini-vakantie start bij een kleinschalig hotel met daarnaast enkele appartementen. Het ligt op een kwartiertje afstand van onze hoofdbestemming morgen: pretpark Plopsaland. Om alvast in de vakantiesfeer te komen halen we frietjes, die we gezellig in het appartement opeten. Daarna nemen we een duik in het zwembad van het hotel. “Laten we de lege frietzakken meenemen en buiten weggooien,” zeg ik tegen mijn vriend. “Anders stinkt het straks zo in het appartement.”
We nemen de zak afval mee naar buiten in de hoop dat we een container tegenkomen. Die komt er helaas niet. De mevrouw achter de receptie weet mij te vertellen dat de container aan de ándere kant van het park is. En het regent. Vrij hard. Dus ik besluit de gok te nemen: in het zwembad is vást een grote prullenbak.
Die gok loopt niet zo best af. Er is geen prullenbak. Niet één. Wel een kluisje voor onze spullen. En dus parkeer ik de frietzakken in het kluisje bij onze schoenen. Waardoor het appartement lekker fris ruikt en onze schoenen nog twee weken naar friet.
De toon van onze mini-vakantie is gezet.
In het hotel is ook een ‘wellness’-gedeelte, dat bestaat uit een Turkse en een Finse sauna. Ik grijp direct mijn kans en vlucht de Turkse sauna in. “HAMMAM” staat er met grote zwarte letters op de glazen deur. Het is er heerlijk warm en ruikt er lekker (in ieder geval niet naar friet). Ik ga zitten en kijk door het vochtige raam naar buiten. Vervolgens staar ik 5 minuten naar het woord hammam, dat nu in spiegelbeeld voor me staat: ‘MAMMAH’. “Mamaaaaaah, waar beeeen je?” hoor ik ondertussen vanuit het zwembad.
Na een goede nacht, waarbij de kinderen in een stapelbed met maar liefst drie bedden boven elkaar liggen, gaan we de volgende ochtend op tijd richting het pretpark. ‘Plopsaland’ klinkt als iets voor kleine kinderen, maar ik weet inmiddels beter. We ervaren het direct wanneer we met z’n allen in de ‘dino splash’ stappen, een boomstamattractie. De oudste gaat voorop, de middelste daarna, daarna ga ik (‘mama, gebruik mij maar als schildje tegen het water’, hoe lief!) en de jongste parkeren we gezellig tussen mij en mijn vriend in. Ze vindt het DOODeng. Gelukkig beperk ik haar zicht en houdt mijn vriend haar stevig vast. Na de trip zegt ze ‘dat het best leuk was’.
Vervolgens ga ik met de oudste in een achtbaan. Het is er een zoals ik ze vroeger in het computerspel Rollercoaster Tycoon zelf bouwde wanneer ik nog een klein stukje park overhad: hoog, steil naar beneden en enkele flinke haarspeldbochten, zodat het precies binnen de parkgrenzen past. Ik ‘gil het halve park bij elkaar’, zoals mijn oudste dat subtiel aan zijn jongere broer laat weten. “Mijn oren doen er nu nog zeer van”. De middelste grinnikt. Zelf moest hij helemáál niet gillen toen hij in dezelfde achtbaan met papa zat, vertelt hij stoer. Nee vriend, dat klopt. Ik had zicht op zijn lieve gezichtje dat totaal verlamt was van angst toen de achtbaan naar beneden raasde. Dat gilt inderdaad wat lastig.
Het brengt me terug naar ons uitje afgelopen zomer. We gingen met de hele familie naar DippieDoe. Een klein pretpark in Brabant. Ons oog viel snel op een leuke zweefmolen. “Daar gaan we in!” Omdat het niet druk was, waren we zo aan de beurt. Pro tip: kíjk eerst even voor je erin gaat, waar je voor tekent. Dat ding draaide ontiegelijk hard en bleef maar draaien. Het resultaat? Drie brullende kinderen. En zelf ontzettend draaierig. Ik vroeg me af wat ik mijn kinderen (en mezelf) aangedaan had.
En dát brengt me weer terug naar jaren geleden in pretpark Phantasialand in Duitsland. Wij waren met een bevriend gezin een dagje in een voor ons onbekend pretpark. “We gaan met z’n allen in dit loopspookhuis!” zei een van de kinderen enthousiast. De hele familie stapte naar binnen. “Het is net of ik een lift hoor,” probeerde mijn vader nog. Wij gaven geen gehoor. Tot dat we in een verlichte ruimte kwamen waar allemaal attractiestoelen tegen de muren stonden. We gingen zitten, de beugels gingen dicht en het licht ging uit. De paniek bij mijn moeder sloeg toe. “Ich will er aus!!” riep ze. De moeder van het bevriende gezin zag eveneens ontzettend bleek en riep naar mijn moeder: zeg dat ik er óók uit wil!” “Und meine freundin auch!” vertaalde mijn moeder de woorden van haar vriendin naar perfect Duits. De beugels schieten los. Mijn moeder en haar vriendin stappen eruit. De beugels klikken weer vast en ZOEF. We schieten met z’n allen de lucht in. Het ‘loopspookhuis’ blijkt een enorme vrijevaltoren. Op het moment dat mijn moeder buiten staat realiseert ze zich: ohnee! Mijn kinderen zitten er nog in.
Dat gevoel dat mijn moeder 25 jaar geleden had, bekroop mij nu ook. En nu begrijp ik precies hoe zij zich toen voelde. ‘De beste achtbaan van Europa’ staat in Plopsaland. Mijn zoon was deze mini-vakantie op de extreem stoere tour. Het was enorm rustig, waardoor de wachttijd overal slechts 5 minuten bedroeg. Nog voordat ik de teststoeltjes van deze prachtige achtbaan voor de lol had getest met de middelste en de jongste (hè, nog nét een halve meter te klein, jammer!), zit de oudste al met zijn papa in dat gekke ding. ‘Ohnee, daar gaat ie! En ik heb ‘m laten gaan!’ schiet door mijn hoofd. Loslaten. Loslaten, elke dag een beetje meer. Zelfs in Plopsaland. Tot hij zich even later kostelijk vermaakt in ‘Bumbaland’. En mijn grootste, stoere kind ook nog een heerlijk vrij, jong joch blijkt te zijn.


