Spoort niet
Afgelopen week moest ik met mijn middelste op pad. Hij had een controle bij het kinderziekenhuis in Utrecht. Dat is vanuit Brabant een behoorlijke onderneming. Anderhalf uur (incl. vertraging) waren we onderweg. Dat weet ik precies, omdat zoonlief maar liefst anderhalf uur lang de playlist bepaalde. En die bestond niet echt uit nummers die ik er zelf op zou zetten.
“Er zit poep op oma en dat is haar eigen schuld”, “Ik ben een wiebelworstje,” en “Noobie Noobie Noobspeler” stonden op repeat. Ik luisterde er geduldig naar en probeerde me op de auto’s voor me te concentreren. In plaats van op de hoeveelheid ‘poep’ die door de autospeakers schalde.
Een goed resultaat in het ziekenhuis vierden we met een appelflap en een broodje, dat we romantisch samen deelden. Ook besloten we ons uitje te verlengen. Nu we tóch in Utrecht waren, konden we er maar het beste van maken ook. Het was de ideale gelegenheid voor een één-op-één uitje. Iets wat in ons gezin (te) sporadisch voorkomt. Meestal bemoeit zich minimaal één ander gezinslid zich met het hele gebeuren. Nu was er rust, ruimte en tijd. En dus gingen we op pad naar ons volgende station.
De bestemming was het Spoorwegmuseum. Na twee uur rondlopen kwam ik tot de conclusie ‘dat ik niet zoveel met treinen heb’. Mijn middelste leek die conclusie ook even te trekken aan het begin van ons uitstapje. Ik zag opa’s met kleinkinderen die zich vergaapten aan elk opgesteld miniatuurtreintje. Ik zag mama’s met tieners die zich verdiepten in de werking van zowel de oude als de moderne trein. En ik zag mijn middelste die vooral zo snel mogelijk door alle ruimtes ging. Zodra hij in de volledig gedecoreerde voorbeeldcoupé een stem hoorde (‘Dames en Heren, iedereen instappen graag!’), gingen zowel zijn hartslag als zijn stem omhoog en vroeg ie ‘of we als-je-blieft door konden lopen!’.
Naast de ingerichte ruimtes, nagebouwde coupés en zaaltjes met tentoongesteld-treingerelateerd-materiaal, waren er ook échte attracties te bekennen. Een karretje op een rails, een spektakel achter gesloten deuren dat de naam ‘de Vuurproef’ had en een reis door de tijd naar de komst van ‘de Arend’ (de tweede stoomlocomotief van Nederland. Hé, ik heb heus wel een béétje opgelet in dat museum hoor!). De middelste liep het liefst zo snel mogelijk door. Bij elk voorstel antwoordde hij: “eh, een andere keer!”.
Nu weet ik bij onze middelste nooit of hij iets écht niet wil of het gewoonweg (te) spannend vindt. Daarom opperde de juf de ‘comfortcirkels’, waar wij thuis eigenhandig 3 eilanden van maakten: Een kleine groene cirkel (het veilige eiland), een iets grotere oranje cirkel daaromheen (het avonturen eiland) en daar tot slot een iets grotere rode cirkel omheen (het storm eiland). ‘De Vuurproef’ lag definitief op stormeiland. Veel te eng. Veel te onbekend. Nu weet mijn middelste inmiddels ook dat zaken zich van het ene eiland met een bootje naar het andere eiland kunnen verplaatsen. Zeker toen er een stroopwafel in het vooruitzicht lag. En zo kwam het dat de Vuurproef van stormeiland stukje bij beetje meer richting avontureneiland dreef.
De middelste ging het avontuur aan. Met een hartslag van 140. Maar hij deed het. En uiteindelijk was het ‘super easy, echt voor kleuters, makkie, ik wil nog wel een keer’-materiaal. Kortom: de Vuurvogel was op het veilige eiland geland (of tja, het is een trein, dus laten we zeggen: gearriveerd).
Op de terugweg luisterden we, na eerst een fortuin te hebben betaald voor een parkeerticket (oké oké, naar het Spoorwegmuseum ga je met de…), wederom naar de poep-en-pies-playlist. De middelste voelde zich na deze dag als De Arend: een pionier, krachtig, vernieuwend en stoer. Waar zo’n ouder-kind uitje op een doordeweekse (ziekenhuis)woensdag al niet goed voor is!


